Bekijk profielpagina

Onderwereld

Revue
 
 

een paar zinnen van Jos Rouw

17 november · Editie #15 · Bekijk online
(Dit hoef je allemaal niet te weten voor het tentamen)

Onderwereld
Het parkeerterrein is donkergrijs met witte lijnen. Er is plaats voor twintig, vijfentwintig auto’s. Er staan er vier, ver uit elkaar. In een ervan, een lange blauwe gezinsauto, zit Marcel. Hij kijkt naar een wit frietkot dat aan de rand van het terrein staat. Hij heeft een thermoskan koffie in zijn hand. Op de bijrijdersstoel staat zijn tas, met daarin zes bolletjes die hij vanmorgen vroeg al gesmeerd heeft, hoewel hij pas om half twaalf hoefde te vertrekken.
Het frietkot van Louis van den Doolaerd opent op het middaguur.
Louis leunt op de toonbank, boven het glas waar de snacks achter liggen. Zijn armen zijn boomstammen, Louis was vroeger bokser. Marcel heeft weleens friet bij hem gehaald. Aan de binnenkant van de deur van het frietkot hangt een krantenartikel, vergeeld en gelamineerd. Op de zwart-witfoto naast het interview staat Louis met beide armen omhoog. Naast hem staat de scheidsrechter die naar hem wijst en tegelijk omlaag kijkt. Daar zal Louis’ tegenstander liggen.
Nadat Louis ermee stopte wachtte de bokswereld af. Zou hij coach worden? Zo’n man die in pak naast de ring staat, de bovenste knopen van zijn overhemd los, dikke druppels op zijn voorhoofd, terwijl hij de laatste energie uit een jong talent naar boven schreeuwt?
Maar Louis keerde terug naar zijn grensdorp en zette het vet aan.
Er is iets niet in de haak met Louis, denkt Marcel, die verdient zijn geld niet alleen met friet.
Dat vertelde de broer van de overbuurman hem vorige week.
“Er is iets niet in de haak met Louis,” zei de broer met gedempte stem. “Die verdient zijn geld niet alleen met friet.”
Hij leunde een beetje naar Marcel toe.
“Marcel, jij lijkt me wel het stabiele type. Ik heb een verzoekje voor je. Een kleine opdracht. Als je het aandurft, natuurlijk.”
Marcel voelde het zinderen door zijn ledematen. Spanning, dacht hij, avontuur, eindelijk. Meteen keek hij anders uit zijn ogen. De onderwereld is onder ons, dacht hij. Je hoeft maar een keer met de broer van de overbuurman te praten of je zit er middenin.
De broer vroeg toen of hij Marcel kon vertrouwen. Of ie een beetje ‘het stabiele type’ was. Marcel knikte. Hij vertelde de broer over zijn werk op de IT-afdeling van de gemeente – zijn vader zei vroeger dat hij programmeur moest worden, dat was de toekomst. Hij vertelde de broer over zijn huwelijk met Nanette, die vroeger zijn buurmeisje was en elke dag bij hem aanbelde. Hij vertelde over hun tweeling van 8, twee meisjes.
Marcel pakt zijn tas en haalt er een bolletje uit. Hij denkt aan zijn dochters. Eigenlijk had hij pas later kinderen gewild, maar hij ging mee in de wens van Nanette. Het gaf niet, hij laat zich niet gek maken, hij is het stabiele type. En al snel wilde hij niet anders meer. ‘Geniet er maar van,’ zeggen oudere collega’s de laatste tijd tegen Marcel. En ‘straks is het wel anders’ en ‘ze zijn snel tegenwoordig’. Waarschuwingsborden langs de rechte weg van de kalender.
Het waait, even staan de grijze krullen van Louis rechtop. Dan gaan ze weer liggen. De rust is wedergekeerd. Marcel neemt een slok koffie en draait de dop dan stevig dicht.
Je kunt zien dat het een grensdorp is, denkt Marcel. Een meter of tien, twaalf verderop ben je in België. Het wegdek verandert er meteen. Belgische wegen zijn niet per se slecht, denkt Marcel, de Nederlandse wegen zijn gewoon erg goed. Dat vertelde Marga van HR hem laatst.
“Belgische wegen zijn niet per se slecht,” zei ze. “De Nederlandse wegen zijn gewoon erg goed.”
Marcel knikte instemmend. Hij kent ook geen andere manieren om te knikken.
In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij een man met een lange zwarte jas de weg oversteken. De man loopt richting het frietkot van Louis. Ik moet opletten, denkt Marcel. Hij gaat langzaam rechtop zitten. Van zo’n man verwacht je het toch niet, denkt hij. De onderwereld is onder ons.
Louis steekt een hand op naar de man, praat even met hem en pakt dan een snack van achter het glas. Hij draait zich om en doet de snack in het vet. Marcel stelt zich het geluid voor – eerst het gesis en dan het gepruttel dat geleidelijk luider wordt.
De man kijkt om zich heen en stopt een hand in zijn jaszak terwijl hij Louis aankijkt. Nu krijgen we het, denkt Marcel, hij gaat een pistool op Louis’ hoofd richten. Wat moet ik doen? Marcel begint te zweten – hier had de broer van de overbuurman niks over gezegd. Straks is hij getuige van een bloederige moord terwijl hij nu rustig thuis had moeten zitten met de zaterdagkrant.
Marcel kijkt zichzelf aan in de achteruitkijkspiegel. Wat doet hij Nanette aan? En de tweeling? Wie denkt hij dat hij is, zomaar hun kalme leven overhoop halen? Waarom moest hij per se het avontuur aangaan?
Berouw in zijn ogen.
De man haalt voorzichtig een handvol contant geld uit zijn jaszak, telt een bedrag bij elkaar en betaalt. Louis wijst naar de lucht. Marcel kijkt ook. De lucht betrekt, daar zal het gesprek over gaan. De man knikt naar Louis. Dan stoppen ze met praten. Ze kijken om zich heen. De man tikt met zijn voet een ritme op de stoep. Hij wiebelt wat heen en weer tot hij zijn snack krijgt aangereikt. Hij komt de parkeerplaats op. Marcel glijdt onderuit in zijn stoel. De man stapt in een van de andere auto’s. Louis leunt weer op de toonbank en kijkt naar België.
Marcel neemt een slok koffie en draait de dop dan stevig dicht. Hij pakt het volgende bolletje. Bij de eerste hap vraagt hij zich ineens af of de broer van de overbuurman echt in de onderwereld werkt. Hij schrikt van de gedachte. Eigenlijk heeft niemand hem verteld hoe het zit.  
Hoe vond je deze editie?
Als je deze nieuwsbrief niet meer wilt ontvangen, dan kun je je hier afmelden.
Als deze nieuwsbrief doorgestuurd is en je wilt je aanmelden, klik dan hier.
Gemaakt door Jos Rouw met Revue.