Bekijk profielpagina

Naar huis

Revue
 
 

een paar zinnen van Jos Rouw

5 februari · Editie #1 · Bekijk online
(Dit hoef je allemaal niet te weten voor het tentamen)

Naar huis
Later hoorde ik dat het leek of er opzet in het spel was. Ik dacht, ik ben gewoon tegen hem aangelopen. Tegen Harm, de langste jongen van de klas. Ik viel en maakte een scheve koprol. Ik stond op om weer achter de bal aan te rennen, maar een bliksemschicht in mijn borst dwong me omlaag.

Kermend en mijn rechterhand tegen mijn linkerschouder duwend lag ik op het gymveld achter het Amperstil College. Ik deed mijn ogen open en zag het zonlicht breken op het kale hoofd van meneer De Let.

“Gaat het?” zei hij. “Moet ik je overeind helpen of om het even wat?”

Er kwamen een paar klasgenoten bij me staan, op een afstandje. Er kwam ook nog iemand over me heen hangen. Mevrouw Pelikaans, die gym gaf aan de meisjes. Ik zag een scherpe frons achter haar blauwe bril.

“Niks aan de hand denk ik,” zei ze. “Die wil gewoon naar huis.”

Meneer De Let maakte twijfelgeluiden. “Hij ziet wel wit. Misschien toch een kneuzing of om het even wat.”

“Volgens mij doet ie alsof,” zei mevrouw Pelikaans. “Neu, die wil gewoon naar huis.”

In de kleedkamer kleedde ik me half om, mijn gymshirt kreeg ik niet uit. De enige die kwam kijken was Cor. Hij vroeg of het ging, ik zei van wel. Hij vroeg of ik het zeker wist.

Gelukkig was er een ziekenhuis naast de school. Toen ik de kleedkamer uit liep, belde ik mijn tante Ada om te vragen of ze me daar kon ophalen. Ze woonde toen een tijdje bij ons omdat ze - al dan niet per ongeluk - al haar schepen achter zich in brand had gestoken.

Ik kreeg een theedoek met een blok ijs erin van Hannie, die de kantine beheerde. Of, beheerde - ze liet vooral haar zware borsten rusten op de bar terwijl ze de hele dag toekeek hoe mensen wegliepen naar de ALDI. Met mijn ijsblok liep ik van de school naar het ziekenhuis, over de grijze parkeerplaats waar ik tussen afgeragde Volkswagens Golf ook pijnstilling had kunnen halen. 

Bij de ingang van het ziekenhuis vond ik Ada. Ze legde een hand op mijn rug en begeleidde me zo naar de Spoedeisende Hulp.

“Je hebt je sleutelbeen gebroken,” zei de dokter, drie kwartier later.

Heb ik dat gedaan, vroeg ik me af. De dokter zei dat er niks aan te doen was, dat ik zes weken geduld moest hebben. Ada keek me steeds verbeten aan. Pijn was niks voor haar, ook andermans pijn niet. Vroeger wilde ze verpleegster worden, maar al vroeg in de opleiding merkte ze dat ze niet tegen bloed kon. Gelukkig vond ze een beroep dat wel bij haar paste. Het is nog jarenlang goed gegaan met haar slagerij.

De hele tijd was er een roes die de pijn wegdrukte. Ik voelde de breuk pas weer toen ik mijn moeder zag. Thuis hoef je je niet groot te houden. Daarbuiten ook niet, maar toen ik voor het eerst weer mee kon doen met gym, wist ik dat nog niet. We gingen basketballen. Ik kreeg een strafworp, de cirkel werd vrijgemaakt. Ik wist precies waar Harm stond. Het moest in één keer, het lukte.

Cor is inmiddels arts. De theedoek heb ik nog. Meneer De Let is er al jaren niet meer. Het leven is een lichamelijke oefening en hij was te vroeg uitgeprobeerd. Ik hoop dat hij in vrede vertrokken is, om in de hemel gymles te geven, of om het even wat.

Mevrouw Pelikaans schijnt gepensioneerd te zijn, al geloof ik niet dat ze al met pensioen mocht. Ze wilde gewoon naar huis.
Hoe vond je deze editie?
Als je deze nieuwsbrief niet meer wilt ontvangen, dan kun je je hier afmelden.
Als deze nieuwsbrief doorgestuurd is en je wilt je aanmelden, klik dan hier.
Gemaakt door Jos Rouw met Revue.