Bekijk profielpagina

De pillen op de brug

Revue
 
 

een paar zinnen van Jos Rouw

11 juni · Editie #9 · Bekijk online
(Dit hoef je allemaal niet te weten voor het tentamen)

De pillen op de brug
Vanmiddag liep ik op een brug over de Dommel toen ik achter mij iets hoorde dat me wegtrok uit één van mijn favoriete mentale toestanden – volledige verzonkenheid. Het duurde nog geen seconde, maar het klonk als een krant die over straat woei. Van dat slepende, schrapende papier. Omkijken moest wel, want ik kan niet tegen zwerfpapier op straat. Ik zat ooit bij de Jeugdnatuurwacht, daar krijg je diepgewortelde principes van.
Een grote kale man die de andere kant op fietste was een volle pillenstrip verloren. Misschien uit zijn jaszak gevallen of uit zijn broekzak. Voordat ik iets heldhaftigs kon roepen als ‘meneer!’ zag ik dat hij oortjes in had. Mijn stembanden stokten.
Dit is niet best, dacht ik.
Misschien waren het zijn laatste pillen. Misschien moet hij om de vier uur zo’n pil nemen. Misschien heeft hij er twee uur geleden voor het laatst eentje genomen en komt hij er over twee uur achter dat hij zijn laatste pillen kwijt is, als het te laat is om naar de apotheek te gaan.
Misschien komt hij er wel op tijd achter en fietst hij nog op tijd naar de apotheek, maar wordt hij niet direct geholpen, omdat hij volgens de gegevens nog een week vooruit zou moeten kunnen met zijn voorraad. Misschien begrijpen ze niet hoe hij – met dat grote lichaam van hem, en zijn jarenlange medicijngebruik bovendien – een hogere dosis nodig heeft om het gewenste effect te bereiken. Misschien preventie van een zinderende pijn.
Misschien staat hij dat straks uit te leggen maar is het vergeefs, omdat de medewerker aan de balie hem niet gelooft. Misschien staat er een collega toe te kijken, een vrouw van rond de 55 met kort, kastanjekleurig haar (geverfd), die met haar armen over elkaar haar hoofd staat te schudden.
Misschien dat de medewerker aan de balie zucht en zegt dat ze even gaat overleggen. Ze gaat een kantoortje in waar donkergrijze tapijttegels liggen en waar een ovalen witte tafel staat met een nepplant erop. Ze wordt gevolgd door de vrouw van rond de 55 met het korte, kastanjekleurige haar (geverfd), die – met gedempt stemgeluid maar felle intonatie – zegt dat de man óf verslaafd is aan die pillen óf ‘die dingen verkoopt’. Ze gebruikt de woorden ‘goud geld’. Maar 'hij ziet er zo keurig uit’, zegt de andere. 'Daarom juist’, zegt de vrouw van rond de 55 met het korte, kastanjekleurige haar (geverfd). Je weet het immers maar nooit.
Misschien verlaat de man de apotheek met rode kaken en zijn handen zo leeg dat hij zijn vuisten kan ballen. Misschien reageert hij zijn verontwaardiging om het schandalige onbegrip af op een jongen die hij te lang aankijkt, zodat de jongen vraagt of hij ‘problemen’ zoekt ‘of zo’. Misschien wordt de jongen even later op een brancard weggevoerd en belandt de man in de cel.
Misschien kijkt de man verbaasd op als zijn celgenoot, een magere man met vettig haar, hem blijkt te herkennen. Misschien is het een oud-klasgenoot. Misschien hebben ze tot diep in de nacht een hartelijk gesprek waarin de man zijn oud-klasgenoot alles vertelt over zijn leven. 'Misschien is mijn oud-klasgenoot dan wel van het rechte pad afgeraakt, maar hij maakt me toch maar mooi aan het lachen’, denkt de man misschien. Misschien liggen ze samen de helft van de tijd dubbel. Misschien verdrijft het gesprek enigszins de beklemmende pijn die de man heeft omdat hij zijn pillen kwijt is.
Misschien mag de man de volgende dag naar huis, waar hij tot zijn grote blijdschap ontdekt dat zijn vrouw bij een andere apotheek wel nieuwe pillen heeft kunnen krijgen. Ze moest er een lang verhaal voor ophangen, tot twee keer toe met de huisarts bellen, maar het lukte. Misschien komt er meer geluk op hun pad, neemt de ernst van de aandoening volgende maand af, tot de man er een maand later zelfs helemaal van verlost is.
Misschien neemt hij zijn vrouw dan op een zaterdag mee uit eten, in het restaurant waar ze zulke mooie herinneringen aan hebben, om haar te bedanken en te vieren dat de pijn voorbij is. Misschien komen ze om half één ‘s nachts thuis, zeggen ze op de oprit tegen elkaar dat dat likeurtje bij de koffie toch echt niet meer had gehoeven, doen ze de deur open en zien ze dat hun huis leeg is. Misschien is hun warme thuis waar ze al die jaren zo veel liefde in hadden gestoken nu een gapend gat.
Nee, de les is duidelijk, dacht ik: doe nooit oortjes in als je gaat fietsen, voor je het weet wordt je huis leeggeroofd door een magere oud-klasgenoot met vettig haar.
De kale man was uit zicht gefietst. Ik verviel terug in verzonkenheid en liep verder. En dat zonder de medicijnen op te rapen. Sommige principes zijn minder diepgeworteld dan je graag denkt – daar kom ik vaker achter.
Toen ik van de brug af kwam, keek ik nog eens om. Een vrouw van rond de 55 met kort, kastanjekleurig haar (ik denk geverfd) raapte de pillenstrip op. Ze schudde haar hoofd.
Hoe vond je deze editie?
Als je deze nieuwsbrief niet meer wilt ontvangen, dan kun je je hier afmelden.
Als deze nieuwsbrief doorgestuurd is en je wilt je aanmelden, klik dan hier.
Gemaakt door Jos Rouw met Revue.