Bekijk profielpagina

De Onbekende Kinderen

NOS Tweede Wereldoorlog
4 en 5 mei zijn in aantocht en dat betekent een boordevol gevulde nieuwsbrief. Zo is er de nieuwe NOS-podcast over de 51 Onbekende Kinderen van het laatste transport uit Westerbork. Daarnaast een nieuwe kijk op de zo verketterde Joodse Raad en een biografie over Jacques Lentz, de overijverige ambtenaar achter het persoonsbewijs.
Westerbork door de ogen van een kind
Lous Steenhuis-Hoepelman, gefotografeerd in Westerbork
Lous Steenhuis-Hoepelman, gefotografeerd in Westerbork
Vandaag verschijnt de nieuwe NOS-podcast over het bijzondere verhaal van de groep Onbekende Kinderen uit Kamp Westerbork. In de zomer van 1944 zitten deze Joodse kinderen zonder ouders in het kamp, niemand weet wie ze zijn. Op eentje na weten toch alle kinderen drie concentratiekampen te overleven. Presentator Rob Trip vertelt hoe de opnames grote indruk op hem maakten:
Hoeveel keer ben ik wel niet in Westerbork geweest? Voor interviews, bijvoorbeeld met de dochter van Rudolph Breslauer, de Joodse fotograaf die er gevangen zat en van de Duitsers het dagelijks leven daar moest vastleggen. Maar ook voor herdenkingsuitzendingen op radio en tv. 
Maar nooit eerder probeerde ik in Westerbork door de ogen van een kind te kijken. Ik deed het voor de podcast De Onbekende Kinderen van Kamp Westerbork. Het ongelofelijke verhaal van de 51 kinderen die op transport werden gesteld met de allerlaatste trein die uit Westerbork vertrok. Eén baby’tje overleefde het niet, de andere 50 kinderen wel. Terwijl ze in Bergen-Belsen zijn geweest en in Theresienstadt.
De podcast is een zoektocht, want er zijn zoveel vragen. Wat doet het met iemand, om op jonge leeftijd vreselijke dingen mee te maken die je je later misschien niet meer herinnert? Om van anderen te moeten horen, pas heel veel later, wat je is overkomen? 
Lous Hoepelman, met het knuffeltje dat ze in Westerbork kreeg
Lous Hoepelman, met het knuffeltje dat ze in Westerbork kreeg
Ik heb er over gesproken met een aantal van die Onbekende Kinderen. Allemaal verschillend terechtgekomen, allemaal verschillende levens achter de rug. Eentje voelde zich ‘een prinsesje’ toen ze terugkwam, want wie kon dat zeggen, dat je drie kampen had overleefd? Een ander ging levenslang gebukt onder het feit dat niemand hem geloofde over dingen die hij zich wel kon herinneren.
Maar het is ook een zoektocht naar de feiten. Wat is er gebeurd en hoe kon dat eigenlijk? Wat bezielde de Duitsers om deze kinderen niet rechtstreeks naar de gaskamer te sturen? Dat deden ze met zoveel andere kinderen namelijk wel. Ook daarover hoor ik een absurd verhaal. Dat de Duitsers twijfelden of dit wel allemaal Joodse kinderen waren.  
Zoveel vragen, al die jaren later. Ik stel ze aan mensen die inmiddels allemaal in de tachtig zijn. Aan een geheugenwetenschapper, die me haarfijn uitlegt hoe ons geheugen werkt. En aan al die anderen die, samen, het verhaal van de Onbekende Kinderen vertellen.
Rob Trip op bezoek bij Marita Deen
Rob Trip op bezoek bij Marita Deen
Een podcast is een audioverhaal in verschillende afleveringen. Het wordt niet via de radio uitgezonden, maar de afleveringen kunnen worden beluisterd via bijvoorbeeld de website van NPO Radio 1, Spotify of Itunes. Van dezelfde makers verscheen eerder de podcast Staakt! Staakt! Staakt! over de Februaristaking.
'Joodse Raad wist niet wat wij weten'
Raadsvoorzitter Cohen (m) tijdens de massadeportatie op 20 juni 1943
Raadsvoorzitter Cohen (m) tijdens de massadeportatie op 20 juni 1943
Weinig organisaties zijn na de bevrijding zo verketterd als de Joodse Raad. Het gunstigste oordeel was dat er naïef was gecollaboreerd, cynischer was het beeld dat men de eigen veiligheid had willen verzekeren door tienduizenden lotgenoten uit te leveren. In zijn nieuwe boek De politiek van het kleinste kwaad is historicus Bart van der Boom een stuk milder. 
“Achteraf gezien heeft de Joodse Raad natuurlijk een volstrekt verkeerd beleid gevoerd. Maar dat is ook wel heel erg een oordeel achteraf. Van mensen die weten hoe het is afgelopen. Maar je moet kijken door de ogen van de mensen tijdens de oorlog. Ik denk dat je het beleid dan beter snapt.” 
De Joodse Raad werd in februari 1941 op last van de bezetter opgericht, als doorgeefluik voor alle anti-Joodse maatregelen. Onder leiding van hoogleraar David Cohen en diamantair Abraham Asscher groeide het uit tot een ‘staat in een staat’ voor Joodse Nederlanders, die zo geïsoleerd raakten van de rest van de bevolking: de Joodse Raad was eerste aanspreekpunt voor huisvesting, gezondheidzorg, registratie en uiteindelijk ook deportaties. 
Overtuigd dat de Duitsers wreder zouden optreden faciliteerde de Joodse Raad de transporten. De Raad raadde mensen aan gehoor te geven aan Duitse oproepen voor deportatie, regelde de voedselvoorziening voor verzamelpunt Hollandse Schouwburg en onderhield het contact met weggevoerden in Westerbork. Allemaal voor een humanere reis naar het oosten, waar men werkkampen verwachtte. Aan vernietigingskampen dacht niemand. 
Als symbool voor die wrange medewerking haalt Van der Boom het advies aan van de Joodse Raad om alvast voor deportatie een rugzak klaar te zetten met daarin onder meer diploma’s en vaccinatiebewijzen, twee dekens, een pyjama, twee paar ondergoed en eventueel een trainingspak. “Wanneer de zak half gevuld is, doet men er onderaan de schoenen in, een links en een rechts op de kant leggen met de hakken naar beneden en de zool aan de buitenzijde.” Voor wie zich geen rugzak kon permitteren, had de Joodse Raad er een. Er werden 12.500 geleverd. 
“In dat schrijnende beeld zit alles. Men dacht dat deportatie nog wel een beetje te doen was als iemand de juiste spullen had. En je kon alleen mensen met zo’n rugzak op pad sturen, als je bij het proces betrokken was. Dus moest er worden gehoorzaamd. Wij weten dat al die rugzakken op het perron in Auschwitz bleven liggen, maar zij nog niet. Dat geeft de kloof aan tussen ons en de mensen destijds.”  
Van der Boom wijst erop dat de Joodse Raad juist verzet als een groot risico zag. Regelmatig kwam er bericht binnen dat er weer iemand was overleden van de 400 jonge Joodse mannen die na de Februaristaking voor straf naar concentratiekamp Mauthausen waren gestuurd. Het leidde bij de Raad tot een ‘Mauthausen-syndroom’: zelfs een onbekend lot in het oosten leek beter dan de zekere dood die daar wachtte. 
“Cohen heeft na de oorlog ook gezegd: ‘4000 mensen naar Auschwitz leek veel minder erg dan 700 mensen naar Mauthausen’”, zegt Van der Boom. “Het was voor betrokkenen destijds volstrekt duidelijk: alles is beter dan Mauthausen. Omdat tegenwerking op de Joden zou worden gewroken, moest je dus vooral niet escaleren.” 
De ervaring met duizenden jaren antisemitisme leek die conclusie te rechtvaardigen. Aanpassen en volhouden had eerder gewerkt. “’Alles wat ons nu overkomt, heeft een pendant in de geschiedenis’, schreven de rabbijnen. Maar ze realiseerden zich niet dat de geschiedenis dit keer geen leidraad vormde, maar een dwaalspoor. Dit was geen pogrom waarbij een aantal mensen werd doodgeslagen maar de meesten bleven leven. Dit was iets fundamenteel anders: een genocide. Zij wisten niet wat wij weten.” 
Toch rijst de vraag of er geen moment was dat de Joodse Raad zichzelf had moeten opheffen. Toen er familieleden werden gedood misschien, zoals de zoon van Raadslid Abraham Soep? Of toen de Duitsers logen dat er geen razzia’s meer zouden komen? Toen het beloofde contact met de weggevoerden uitbleef of toen de Raad werd gevraagd zelf vrijstellingen in te trekken? Telkens zag men aanblijven als het minste van twee kwaden. 
“Het is niet aan mij om te bepalen wanneer iemand iets anders had moeten gaan doen, maar in de zomer van 1943 waren alle illusies toch wel weg. Toen was duidelijk dat verzachting niets had bereikt. Uit die tijd stamt ook de wrange grap dat als Asscher en Cohen alleen zijn overgebleven de een tegen de ander zegt: ‘De Joodse Raad moet gehalveerd worden. Ga jij maar, anders komt er een razzia’. Men begreep dus dat er iets absurds aan de hand was, dat er een organisatie was om een gemeenschap te beschermen die er grotendeels niet meer was.” 
Het papieren imperium van Jacques Lentz
Lentz op kantoor (Uit besproken boek)
Lentz op kantoor (Uit besproken boek)
“Wij menen dat er geen politieman, geen V-Mann, zelfs geen provocateur geweest is die de Nederlandse zaak een zo onmetelijke schade berokkend heeft als de schepper van het persoonsbewijs.” Zo oordeelde Loe de Jong over de overijverige topambtenaar Jacques Lentz, die uit ambitie, eerzucht en de wens tot zelfverrijking het werk van de bezetter zeer vereenvoudigde. 
“Als De Jong had geweten wat ik allemaal weet, was hij veel en veel strenger geweest”, zegt Jurriën Rood, schrijver van de biografie Lentz: de man achter het persoonsbewijs
Al voor de oorlog maakte Lentz carrière met verbeteringen in het bevolkingsregister. “Het was een tijd waarin men aan het ontdekken was wat de macht van een bureaucratie is. Men zag er veel in: nu had men de middelen in handen om de wereld te verbeteren”, schetst Rood de vooroorlogse ontwikkelingen. “Lentz begreep heel goed wat zijn rol daarin kon zijn.” 
Dat de Duitsers tijdens de bezetting een politiestaat inrichtten betekende voor Lentz dat hij voortaan ongebreideld zijn ambities op het gebied van volksregistratie kon waarmaken. Door bij de invoering van het persoonsbewijs in 1941 kopieën centraal te verzamelen, ontstond er voor het eerst een nationaal bevolkingsregister van alle 7 miljoen volwassen landgenoten, uniek wereldwijd. 
Het maakte het werk van de bezetter veel makkelijker: op zoek naar verzetsmensen, Joden of arbeidskrachten hoefde men niet meer gemeenten een voor een na te gaan. “Zodra de politiediensten een naam hadden konden ze naar dat register gaan en wisten ze precies waar iemand woonde. Ze maakten er veel gebruik van, het was hun eerste adres.” 
Lentz had het bovendien schier onmogelijk gemaakt persoonsbewijzen te vervalsen. Door speciaal karton met watermerk en inkt die gevoelig was voor oplosmiddelen bleven sporen van geknoei altijd zichtbaar. Zelfs al zou dat lukken, dan waren de persoonsgegevens altijd nog te vergelijken met de centraal opgeslagen gegevens. Lentz pochte dat zelfs Duitse ambtenaren “mijn ontwerpen beter achten dan het Duitse stelsel”. 
Persoonsbewijs (Stadsarchief Amsterdam)
Persoonsbewijs (Stadsarchief Amsterdam)
“Hij vindt de papieren mensen veel belangrijker dan de echte mensen. Zijn eigen registers beschrijft hij als een gezellig huis waar de papieren mensen elkaar ontmoeten - gruwelijk dat hij dat zo durft te omschrijven als je beseft wat er met de echte mensen gebeurd is. Maar de mensen van vlees en bloed was hij compleet uit het oog verloren.” 
Meerdere keren voerde Lentz bijvoorbeeld nacontroles uit om te kijken of echt alle Joden volgens de regels waren geregistreerd. Hij was zelfs zo ijverig om een lijst van alle Joodse achternamen op te laten stellen, zodat die ook nog eens met de registers kon worden vergeleken. “Er is geen moment te merken dat hij dacht: goh, dit zouden we misschien niet moeten doen”. 
Loe de Jong noemt Lentz een “dienstklopper optima forma” en een “dorre, eigenlijk van de wereld vervreemde, zijn ambtelijke idealen najagende perfectionist”. Ook Rood ziet dat Lentz “de beste van de klas wilde zijn en zijn werk beter wilde doen dan van hem gevraagd werd”. 
Rood waarschuwt er echter ook voor Lentz te zien als een onnadenkende meeloper. “Hij was ervan overtuigd dat de nieuwe orde was aangebroken. Hij dacht na de capitulatie dat de nazi’s de nieuwe meesters waren en zag daar zelf grote mogelijkheden in. Lentz was zich er compleet van bewust wat voor voordelen hem dit opleverde.” 
Dat was naast een bliksemcarrière in Den Haag ook een riant salaris. Toen Lentz meehielp bij het stroomlijnen van de Jodenvervolging, zorgde hij ervoor dat daarbij de door hem ontworpen ‘edelruiters’ werden gebruikt, een kunststof merkteken waarmee als een administratieve Jodenster de persoonskaarten in een oogopslag herkenbaar waren in de registers. Met zeker 1 cent winst op elk van zijn ruiters moet Lentz er twee tot drie jaarsalarissen aan overgehouden hebben, rekent Rood uit. 
Na de oorlog werd Lentz oneervol ontslagen en kreeg een relatief lage celstraf van drie jaar. De rechter keek vooral naar Lentz’ betrokkenheid bij de Arbeitseinsatz, niet meegewogen tijdens het proces werden de zelfverrijking, zijn inzet voor het persoonsbewijs of de hulp bij de Jodenvervolging. 
“Schrijnend, maar het werd gewoon niet ten laste gelegd”, verzucht Rood, wiens eigen grootouders omkwamen na deportatie. “Er is wel gesuggereerd dat de Jodenvervolging moeilijker te bewijzen was dan de Arbeitseinsatz, maar dat het hier helemaal wegvalt is te pijnlijk voor woorden.” 
Lentz nam geen verantwoordelijkheid voor zijn gedrevenheid. Als ambtenaar voerde hij slechts dienstopdrachten uit, was zijn verdediging. Hoewel dat bij de overijverige Lentz aantoonbaar niet waar is, zou het hem voor Rood ook niet hebben vrijgepleit. Burgers hebben immers altijd nog de plicht bij zichzelf te rade te gaan wat de gevolgen zijn van hun acties. “Dat moet je je altijd afvragen, vind ik. Als Lentz’ verhaal daarbij kan helpen als het slechte voorbeeld, dan zou het een prachtige les zijn.” 
Duitse begraafplaats 'niet alleen zwart-wit'
Graven op Ysselsteyn
Graven op Ysselsteyn
Vier keer groter dan de Amerikaanse ereveld in Margraten is de oorlogsbegraafplaats voor Duitsers Ysselsteyn. Veel minder bekend is het echter: jaarlijks komen er 40.000 bezoekers, zes keer minder dan op het geallieerde dodenveld. Lang wilde men er zo min mogelijk aandacht aan geven, maar begin deze maand werd een bezoekerscentrum geopend met verhalen over de bijna 32.000 doden daar.
“We hebben van alles. Naast NSB'ers ook alle Duitse militairen die in Nederland zijn gesneuveld. Soldaten van 14, 15 jaar of hele hoge leeftijd, van alle rangen en standen, tot aan generaals toe”, zegt Sjoerd Ewals, van de stichting Vrienden van Ysselsteyn.
“De begraafplaats is lang onbekend gebleven. Tien jaar geleden zou een bezoekerscentrum nog gevoeliger hebben gelegen. We proberen alle verhalen te vertellen. Het is niet alleen zwart-wit, er zijn vele kleuren grijs. Er liggen hier fanatieke nazi’s, heel zwart van kleur, maar ook mensen die in die oorlog zijn gesleurd.”
Op de dag van de opening zijn bijvoorbeeld de achterneef en -nicht van de Duitse marineman Paul Küpper aanwezig om op zijn graf zijn foto te plakken. “Het is belangrijk ook deze doden een gezicht te geven”, zegt zijn achterneef tegen 1Limburg. “Om te laten zien: dit was een gewone jongen, net 19, met een vriendin. Hij wilde de oorlog niet maar werd opgeroepen en moest.”
Küpper zou in 1941 in Den Helder sneuvelen. Zijn achternicht raakt nog altijd geëmotioneerd van de laatste brief die hij schreef, een dag voor zijn overlijden. “Hij was zwaargewond maar maakte zich zorgen over zijn moeder, of het wel goed met haar ging. Hij hoopte dat het zou meevallen en hij weer snel naar huis kon komen.”
Een andere Duitse vrouw zoekt het graf van haar opa, sergeant uit de Wehrmacht. Toen ze nog klein was nam haar moeder haar geregeld mee naar het grafveld en ze besloten de opening van het centrum bij te wonen. “Ik heb erover nagedacht of je hier wel aandacht aan moet geven, maar ik vind het ook een belangrijk gedenkteken tegen de oorlog.”
Een man wiens vader in het verzet zat is het met haar eens. Hij is naar Ysselsteyn gekomen om uit naam van de nabestaanden een piloot die er begraven ligt te gedenken. “Klopt, de mensen die hier begraven liggen waren de vijand. Maar hoeveel generaties moet ik die haat doorgeven? Mijn vader deed dat niet en ik ook niet.”
In de toespraken bij de opening haalden veel sprekers de Russische inval in Oekraïne aan. “Deze plaats is zo actueel op dit moment. Als we over de begraafplaats lopen moeten we aan Oekraïne denken en zijn mensen tot tranen toe geraakt”, zegt Tarcicia Voigt van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge.
Ook de achterneef van Paul Küpper ziet parallellen. “Als we nu, in de 21ste eeuw, weer terugvallen in dezelfde situatie, dan hebben we als mensen niet veel geleerd met z'n allen.”
Het nieuwe bezoekerscentrum
Het nieuwe bezoekerscentrum
Typiste Schindlers lijst overleden
De secretaresse die de lijst uittypte waarmee Oskar Schindler zo'n 1300 Joden het leven redde, is op 107-jarige leeftijd overleden. Mimi Reinhardt, die onder vermelding dat ze ‘Schreibkraft’ was ook haar eigen naam op plekje 279 mocht invullen, vertelde ooit dat het een gok was om haar leven in handen van de Duitse industrieel te leggen.
“Ik wilde met hem meegaan vanwege zijn reputatie, maar velen wilden niet op die lijst staan. Het was een gok. Er waren geen garanties als je met Schindler meeging. We geloofden eigenlijk niet dat hij erin zou slagen ons te redden.”
Mimi Reinhardt in 2019 met een foto van Schindler
Mimi Reinhardt in 2019 met een foto van Schindler
Reinhardt, geboren in Wenen, was kort voor de oorlog voor de liefde naar Krakau verhuisd. Toen de Duitsers daar een getto instelden voor de Joden, wist ze haar 3-jarige zoontje met haar schoonmoeder te laten vluchten. Haar man werd doodgeschoten bij een ontsnappingspoging. Toen de nazi’s het getto ophieven, kwamen veel bewoners terecht in werkkamp Plaszow. Omdat ze goed Duits sprak en stenografie kende kwam ze in 1944 in dienst van Schindler.
Toen kampcommandant Göth het kamp vanwege de snel oprukkende Sovjets wilde uitmoorden, bedong Schindler met steekpenningen dat de mensen die hij voor zijn fabriek nodig had, geëvacueerd werden. Het was aan Reinhardt om de definitieve lijst op te stellen. Ze tikte met twee vingers, omdat ze nooit beter had leren werken op een typemachine. Zelf kwam ze op plekje 279, onder de naam die ze toen gebruikte.
Reinhardt onder haar oude naam op Schindlers lijst
Reinhardt onder haar oude naam op Schindlers lijst
“Ik typte eerst de namen van de fabrieksarbeiders, daarna hun familieleden en vrienden. Ik eindigde met mijn naam en enkele vrienden en toen was de lijst vol.”
Even leek alle moeite voor niets toen in de oorlogschaos een trein met honderden Schindler-Joden, onder wie Reinhardt, per ongeluk in Auschwitz terechtkwam. Twee weken had Schindler nodig om die fout te herstellen. “De hel op aarde”, meende Reinhardt.
Na de oorlog vond Reinhardt haar zoontje terug, hertrouwde en verhuisde naar de VS. Over haar oorlogstijd sprak te nauwelijks, zelfs niet toen een boek van Thomas Keneally en de Spielberg-film Schindlers verhaal wereldberoemd maakten. “Na de oorlog voelde het alsof dat deel van mijn leven over was. Ik wilde opnieuw beginnen.”
Hoewel ze het daarom moeilijk vond de film te zien, denkt ze dat de extraverte Schindler, overleden in 1974, het fantastisch had gevonden. “Hij zou alle aandacht prachtig gevonden hebben.”
Eerste herdenking met nabestaande
Baratova met Remco Reiding, die haar opa wist te identificeren
Baratova met Remco Reiding, die haar opa wist te identificeren
Voor het eerst heeft dit jaar een nabestaande de jaarlijkse herdenking kunnen bijwonen van de omgekomen Sovjetmilitairen uit Kamp Amersfoort. Lang waren alle 101 mannen ongeïdentificeerd, maar vorig jaar werd de naam van een van hen achterhaald: Dilnaz Baratova, kleindochter van soldaat Ilsja Machametov, kwam er speciaal voor uit Kazachstan.
De nazi’s brachten de Aziatische krijgsgevangenen in 1941 voor propagandadoeleinden naar Nederland, als illustratie van de Sovjethordes die Europa volgens hen dreigden te overspoelen. Het plan mislukte: de mishandelde mannen wekten hier vooral medelijden op. 24 stierven uiteindelijk door ziekte en uitputting, de rest werd op 9 april 1942 geëxecuteerd. In de Duitse poging het debacle uit te wissen, gingen de namen van de mannen verloren.
Bij de herdenking vertelde Baratova dat haar 86-jarige moeder Modjangoel dolblij was toen Ilsja na al die tijd werd geïdentificeerd. Ze was 3 toen ze haar vader voor het laatst zag. “Al die jaren heeft mijn moeder veel gehuild en veel gerouwd. Haar hele leven hoopte ze nieuws over zijn lot te krijgen.” Vanwege de slechte gezondheid van haar moeder bezoekt alleen de kleindochter het graf. 
Baratova kon zich bij het bezoek indenken wat haar vader moet hebben meegemaakt. “Vandaag, nu ik op de grond sta waar hij liep, besefte ik dat hij wilde leven, dat hij hoopte thuis te komen. Hij geloofde dat hij zijn kind in zijn armen zou sluiten. Daarom overleefde hij alle ziektes, mishandeling en hield vol tot het laatste moment.”
Omdat er nog geen dna-onderzoek is gedaan is nog niet duidelijk op welke plek Ilsja precies begraven ligt. Baratova besloot daarom haar bloemen willekeurig te plaatsen, op graf 53. “Het voelde alsof ik vandaag mijn opa heb begraven.”
Overig nieuws
Het horloge
Het horloge
Geroofd in Rotterdam, verloren op een Vlaamse akker en teruggekeerd dankzij een zoektocht via internet: een erfstuk van een Joodse horlogemaker is na 80 jaar weer terug op de juist plek.
De Belgische boer Gustave Janssens vond het uurwerk in 1944 op zijn akker in het Vlaamse Molenstede. Het was waarschijnlijk verloren door een van de Duitse soldaten die bij hem ingekwartierd waren: die deden hun behoefte op de akker. De boer verstopte het horloge in de hoop het ooit terug te kunnen geven.
Kleinzoon Pieter Janssens wilde proberen die wens te laten uitkomen. De inscriptie “Neufchâteau 1910, gemaakt door A.A. Overstrijd, pour mon frère Louis” bracht hem via internet in contact met de nabestaanden van Alfred Overstrijd, die net als zijn broer Louis zijn deportatie niet had overleefd.
Alfreds kleindochter Monique is dolblij met het klokje. “Zó mooi, ik ben zó dankbaar.” Ook Pieter Janssens is verguld. “Het uurwerk is terug bij wie het hoort. Zoals onze opa had gewild.”
Scène uit Die Wannseekonferenz
Scène uit Die Wannseekonferenz
Vijftien mannen die in een vergadering van anderhalf uur over de Endlösung van het ‘Jodenvraagstuk’ besluiten. Het wordt beklemmend alledaags neergezet in de film Die Wannseekonferenz, over het moment dat vernietiging van alle Joden definitief overheidsbeleid werd in nazi-Duitsland. “Het was net een productiebespreking bij een bedrijf”, schetst regisseur Matti Geschonneck in gesprek met de NOS. 
In de eerste vier dagen van de oorlog, inclusief het bombardement, vielen er in Rotterdam 1150 oorlogsdoden, blijkt uit een uitgebreide inventarisatie 82 jaar naar dato. Het jongste slachtoffer was een baby van 19 dagen oud, het oudste slachtoffer een 91 jaar oude vrouw. De achterneef van het jongste slachtoffer noemt het “een erkenning”.
Het gevonden wrakstuk
Het gevonden wrakstuk
Een wrakstuk dat na de storm in februari aanspoelde bij Camperduin is geïdentificeerd als een onderdeel van een Stirling-gevechtsvliegtuig dat in 1942 werd neergehaald bij de Noordzeekust. Nabestaanden van de vijf bemanningsleden waren “flabbergasted en ook dankbaar dat we dit allemaal hebben uitgezocht”.
Met de oorlog in Oekraïne staan herdenkingscomités in heel het land voor de vraag of een Russische afvaardiging welkom is. Russische troepen mogen dan de nazi’s hebben verslagen in grote delen van Europa, in het licht van hun invasie in Oekraïne zou een delegatie ongemakkelijk kunnen zijn. Daarom koos bijvoorbeeld de organisatie van de Ravensbrück-herdenking ervoor niet de ambassadeur uit te nodigen dit keer.
Een 93-jarige Duitse vrouw moet een jaar de cel in omdat ze de Holocaust ontkent. Ursula Haverbeck ontkende in 2017 op een bijeenkomst de nazi-genocide uit de Tweede Wereldoorlog en herhaalde dat nog eens in een interview in 2020.
Oorlogsmuseum Eyewitness in het Limburgse Beek sluit in de loop van dit jaar zijn deuren vanwege de teruggelopen bezoekersaantallen en een inbraak waarbij voor een miljoen euro aan nazi-parafernalia werd buitgemaakt.
Een Amerikaans museumschip uit de Tweede Wereldoorlog is gezonken vlak voordat een renovatie van de verzwakte romp zou starten. “Ons geluk was net iets te vroeg op.”
En de sleutel die werd gebruikt bij de spectaculaire bevrijding van verzetslieden uit een gevangenis in Assen is overgedragen aan het Drents Museum.
Tot zover weer onze nieuwsbrief. We verwachten in de loop van volgende maand alweer een nieuwe editie te kunnen sturen, met een terugblik op 4 en 5 mei en een NOS-documentaireserie over de rol van foto’s in de persoonscultus rond Hitler. Graag tot dan!