De 46 doden van Varsseveld

#64・
43.9K

abonnees

69

edities

Meld je aan voor mijn nieuwsbrief

By subscribing, you agree with Revue’s Terms of Service and Privacy Policy and understand that NOS Tweede Wereldoorlog will receive your email address.

NOS Tweede Wereldoorlog
Een rijk gevulde nieuwsbrief dit keer. Met de verhalen van de 46 mannen die in maart 1945 werden doodgeschoten bij Varsseveld, een van de bloedigste vergeldingsacties uit de oorlog. Daarnaast een verhaal over de “meest gedecoreerde kapitein” van de Nederlandse koopvaardijvloot uit de oorlog en het bijzondere verhaal van de vrouwen die het onmisbare contact onderhielden tussen het oorlogsgebied en thuisfront, het 6888th Postbataljon.
Twee jaar geleden schreven we op onze site 75 Jaar Bevrijding over de Duitse massamoord bij Varsseveld, waar 46 mannen werden doodgeschoten na de moord op vier Duitse militairen. In het Onderduikmuseum in Aalten opende begin deze maand een tentoonstelling waar voor het eerst uitgebreid wordt stilgestaan bij alle slachtoffers van deze op een na grootste vergelding uit de oorlog.
“Er is nooit echt onderzoek gedaan naar de slachtoffers. We wisten tot voor kort slechts een naam, de leeftijd en de laatst genoemde woonplaats”, zegt Gerda Brethouwer, directeur van het museum. “Als er al aandacht was ging deze vooral uit naar de aanleiding van de represaille.”
Het drama begon op een verlaten boerderij bij Varsseveld, waar vier Duitsers eind februari 1945 per ongeluk een verzetsgroep overliepen en werden gedood. De verzetslieden probeerden de executies op een auto-ongeluk te laten lijken, maar doordat een explosief in de Duitse auto niet afging, werden er sporen van verwurging gevonden.
Als vergelding fusilleerde de bezetter 46 gevangenen die in Doetinchem vastzaten. Onder hen waren twaalf leden van een Overijsselse Trouw-groep die in januari was opgerold, een oprichter van het Verborgen Dorp en twee jongens die als liniecrossers naar bevrijd gebied hadden willen vluchten. De oudste was 65, de jongste slechts 18.
Van alle slachtoffers is nu het levensverhaal opgetekend en van bijna iedereen werd een foto gevonden (.pdf). Bijvoorbeeld van de 20-jarige Hilbrand Johannes Baar, die voor het verzet infiltreerde in de beruchte politieschool in Schalkhaar.
Infiltrant Hilbrand Johannes Baar
Infiltrant Hilbrand Johannes Baar
De bizarre willekeur van de oorlog blijkt wel uit de dood van vader en zoon Fleer, beiden Jan geheten. Senior werkte aanvankelijk als vrijwillig chauffeur voor de Duitsers, maar deserteerde rond Dolle Dinsdag. Hij kwam weer terecht bij het gezin waarvan hij was vervreemd. Daar bleek zoon Jan (23) als communist juist in het verzet te zitten. Beide Jannen werden in januari in Assen na verraad opgepakt. Op 2 maart werden ook zij meegevoerd naar de akker aan het Rademakersbroek.
Boer Kraaijenbrink ging kort na de executies kijken op de moordplek. “Nog staat me iedere dag voor ogen die rijen doden daar op ons veld”, schreef hij na de oorlog aan nabestaanden. “De wind speelde met hun haarlokken.”
Vier weken later was het gebied bevrijd. Het viel Kraaijenbrink op dat het graan op de met bloed doordrenkte aarde hoger groeide dan elders. Hij maaide het apart, zodat geen mens of dier ervan zou eten. De bittere oogst werd verwerkt in het monument dat op 4 mei 1949 bij de executieplek werd onthuld.
Koopvaardijkaarten online
Wie kent tegenwoordig nog Ary Romijn, “Nederlands meest gedecoreerde kaptein”? Dankzij een nieuw project van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie is zijn oorlogsgeschiedenis en die van duizenden anderen nauwkeurig te reconstrueren. Met de hulp van vrijwilligers heeft het NIMH 66.000 koopvaardijkaarten online gezet en wordt een voor velen onbekend hoofdstuk uit de Tweede Wereldoorlog toegankelijker.
Romijn was een van de 32.000 Nederlandse zeelieden die tijdens de oorlog verplicht moesten blijven varen van de Nederlandse overheid in ballingschap. Ontrukt aan hun familie in bezet gebied moesten zij met nauwelijks voorbereiding onder constante dreiging van vijandelijke duikboten ervoor zorgen dat voorraden, manschappen en brandstof het front bereikten. 3400 van hen overleefden dat niet.
Het NIMH neemt als voorbeeld kapitein Romijn (1895 - 1968) uit Vlissingen, die al op 12-jarige leeftijd naar zee was gegaan. Zijn schip lag bij Australië toen Duitsland Nederland binnenviel. De geallieerden zetten hem daarop in voor bevoorradingen in konvooi. Tijdens zo’n reis werd zijn schip door een Duitse onderzeeër getorpedeerd: Romijn en zijn bemanning dobberden twee dagen in de oceaan voordat ze werden gered.
Een tweede ontmoeting met een onderzeeër liep in januari 1942 beter af: nadat een Brits schip voor hem was aangevallen zag Romijn bij het uitwijken een periscoop boven water uitsteken. Hij besloot met zijn schip Aagtekerk de Duitser te rammen. Toen het daarna aan de oppervlakte kwam werd met een boordkanon het werk afgemaakt.
Romijn voer nog steeds op de Aagtekerk toen dat schip een half jaar later in de Middellandse Zee door tientallen Duitse vliegtuigen werd aangevallen. Romijn was de enige overlevende van de bemanning op de brug toen die geraakt werd door een voltreffer. Hij kwam bewusteloos op het voordek neer maar ontwaakte door de hitte van de vlammen.
Door het vuur heen bereikte Romijn de achtersteven, waar de opvarenden bezig waren het schip te verlaten. Men herkende hem aanvankelijk niet: zijn uniform was verschroeid en hij had zware brandwonden. Toch nam hij de leiding bij de evacuatie, die werd bemoeilijkt doordat de reddingsboten brandend in zee waren gestort. Pas toen alle overlevenden van boord waren, sprong hij als laatste overboord. Romijn moest maanden herstellen, onder meer in het door generaal Rommel bedreigde Alexandrië.
Na de oorlog werd Romijn door Wilhelmina onderscheiden met de Militaire Willems-Orde, naast de Bronzen Leeuw, tweemaal het Kruis van Verdienste, een Britse ridderorde en een speciale zilveren beker die iemand uit Cardiff beschikbaar had gesteld voor de meest dappere Nederlandse koopvaardijkapitein van de oorlog. Zelf wilde Romijn liever zwijgen over zijn heldendaden. “Het heeft in alle kranten gestaan en wij moeten er nu eens over ophouden”, verzocht hij nog bij zijn pensioen in 1949.
Romijns loopbaan is keurig samengevat op zijn koopvaardijkaart, waar voor iedereen naast persoonlijke gegevens als huwelijkse status, noodcontact en staat van dienst ook informatie over wangedrag, desertie, dood of vermissing werd bijgehouden. Dankzij het NIMH-project worden nabestaanden en geïnteresseerden bovendien waar mogelijk doorverwezen naar andere relevante archiefstukken, zoals Japanse interneringskaarten, gegevens over oorlogsgraven of in het geval van Romijn een foto: van een van zijn vele onderscheidingsceremonies.
Koopvaardij:  Ary Romijn
Koopvaardij: Ary Romijn
Hoogste eer voor baanbrekend postbataljon
“Geen post, laag moraal.” Uit hun motto blijkt dat de vrouwen van het Amerikaanse 6888th Postbataljon wisten wat het belang was van hun werk. Decennia later schat ook het Amerikaanse Congres hun werk op waarde: het legeronderdeel krijgt de Congressional Gold Medal, de hoogste onderscheiding van de volksvertegenwoordiging.
Six triple-eight’ had begin 1945 een herculestaak te verrichten: in de Engelse stad Birmingham lagen zo’n 17 miljoen onbestelbare poststukken te wachten op bezorging. Het waren brieven en pakketjes met bijvoorbeeld te weinig informatie over de ontvanger: zoals poststukken met alleen “Junior” of “Buster”, per adres U.S. Army. Of aan een van de 7500 mannen genaamd Robert Smith die dienden.
Daarnaast was er post die door de chaos van de oorlog niet bezorgd kon worden, doordat de bedoelde ontvanger met het front was opgetrokken of misschien al was gesneuveld. “Een van de eerste taken was post verwerken die bij het Ardennenoffensief in december vanwege de zware gevechten weer terug naar Engeland was gestuurd. We moesten zorgen dat de kerstpakketten die waren blijven liggen bezorgd konden worden”, herinnerde bevelhebber Charity Adams zich jaren later.
Adams inspecteert het 6888th
Adams inspecteert het 6888th
“We wilden het contact onderhouden tussen de mensen in dienst en hun familie, zodat ze wisten wat hun geliefden meemaakten. Die verbondenheid maakte onze missie belangrijk”, vatte Lena Derriecott Bell King hun taak samen. “Zonder ons hadden veel mensen nooit post gekregen”, vulde oud-collega Elizabeth Bernice Barker Johnson aan.
De vrouwen werkten zeven dagen per week, 24 uur per dag. “Het was lang en vermoeiend werk. De stapels post reikten bijna tot aan het plafond. Je werkte gewoon totdat je te moe was om nog iets te doen”, vertelde Barker Johnson. Door zo 65.000 poststukken per dienst te behandelen wist de groep de achterstand in drie maanden weg te werken, de helft van de geschatte tijd.
De ruim 850 medewerkers werkten onder moeilijke omstandigheden. De posthangaars waren koud, en donker door de verplichte verduistering. Ratten kropen door de balen post, op zoek naar etenswaren die familieleden hadden gestuurd naar uitgezonden militairen. Hoewel de vrouwen niet aan het front werkten, was hun werk niet ongevaarlijk: een Duitse onderzeeër belaagde het schip waarmee ze naar Engeland voeren en vlak na aankomst sloeg een V1 in. Drie leden kwamen na de capitulatie om bij een auto-ongeluk in Frankrijk.
Desalniettemin overheerste het plichtsbesef en trots. Het 6888 was in Europa de enige eenheid waar alleen zwarte vrouwen dienden. Toch was dat iets waar Adams zelf tijdens de oorlog niet bij stilstond. “Op het moment zelf ben je er niet mee bezig dat je geschiedenis schrijft. Het is pas geschiedenis als je ermee klaar bent.”
Na de oorlog was er evenwel maar weinig aandacht voor deze baanbrekende groep vrouwen: de eenheid werd met weinig ceremonieel ontbonden. De Congresonderscheiding moet dat een beetje goedmaken. “Deze vrouwen kregen in een oorlog te maken met zowel racisme als seksisme", redeneerde Afgevaardigde Moore, een van de aanjagers van het eerbetoon. “Deze onderscheiding is niet meer dan logisch voor veteranen die bij thuiskomst maar weinig erkenning kregen.”
“Hun werk en offers zijn helemaal bijzonder als je bedenkt dat zij vochten in naam van vrijheden die voor henzelf op dat moment niet eens golden”, vult Afgevaardigde Pappas aan. Eenmaal thuis werd er immers vooral weer gekeken naar hun sekse of huidskleur, veteraan of niet.
Van de ruim 850 vrouwen uit het 6888ste is nog maar een handjevol in leven. Majoor Fannie Griffin McClendon is blij met de eer. “Het is overweldigend. Het is iets waar ik zelf nog niet eens over nagedacht had.”
Leden van het 6888th bij thuiskomst
Leden van het 6888th bij thuiskomst
Vooruitblik: 4-meidocumentaire
Ondertussen werkt de NOS hard aan de 4-meidocumentaire van dit jaar. Deze keer staat daarin het Drentse dorp Nieuwlande centraal. In het dorp en het gebied eromheen zaten meer dan honderd Joodse onderduikers. Met mensen die het hebben meegemaakt praten we over hoe het kwam dat daar zoveel mensen een veilig heenkomen konden vinden.
John en Grada op de plek waar de boerderij van haar ouders stond
John en Grada op de plek waar de boerderij van haar ouders stond
John Bamberg zat als Joods jongetje van 6 jaar ondergedoken bij de familie Van der Vinne. Samen met onderduikzus Grada haalt hij herinneringen op. De Duitsers deden een inval in de boerderij en namen John en de vader van Grada mee. Via het politiebureau in Assen kwam John in Kamp Westerbork terecht. Zijn onderduikvader werd afgevoerd naar een Duits werkkamp en keerde na de oorlog zeer verzwakt terug.
Jannie Koekoek (1923) was koerierster. Ze fietste met bonkaarten en andere spullen door de regio. Op de boerderij van haar ouders zaten meerdere onderduikers. Ze herinnert zich die tijd nog levendig. “Ik stapte op mijn fietsje en deed wat ik moest doen. Je bent jong. Je leefde makkelijker, en je had de ernst niet altijd door.”
Nieuwlande is ook het dorp waar de bekende verzetsstrijder Johannes Post vandaan komt. Zijn dochter Trijneke was getuige van bijeenkomsten van het verzet op hun boerderij. Op jonge leeftijd leerde ze al zwijgen over wat er thuis allemaal gebeurde. Ze vertelt ook over de hoge prijs die het gezin heeft moeten betalen. Toen haar vader was gevlucht, moest het hele gezin - zeven kinderen - onderduiken.
De documentaire wordt uitgezonden op 4 mei, na de Dodenherdenking.
Trijneke Post wordt geïnterviewd in de stal die haar vader nog heeft gebouwd
Trijneke Post wordt geïnterviewd in de stal die haar vader nog heeft gebouwd
Gezocht: Bevrijdingsrokken
Het Verzetsmuseum uit Leeuwarden is op zoek naar Friese bevrijdingsrokken, de feestkleding die vrouwen kort na de oorlog zelf maakten om de vrijheid te vieren. Het museum wil de verhalen over de kledingstukken vastleggen en een kleine tentoonstelling eraan wijden.
Vrouwen werden na de oorlog opgeroepen feestrokken te maken met overgebleven lapjes stof, liefst van textiel met een verhaal, zoals een trouwjurk of babykleding. “Vlecht in uw rok het patroon van uw leven”, luidde een regel uit een lied over de rok. Het kledingstuk zou voortaan gedragen moeten worden op Bevrijdingsdag en op belangrijke feestdagen in het leven van de maker.
De rok was een initiatief van verzetsvrouw Mies Boissevin-Van Lennep, die haar man en twee zoons had verloren in de strijd tegen de bezetter en ook zelf was vastgezet. Het idee kwam van een lappendoekje dat vriendinnen hadden gemaakt om haar kracht te geven. Het werd in een waszak de gevangenis in gesmokkeld. “Allemaal kleine lapjes: bont, fleurig, kleurig, fris. Lapjes, die ik ken uit kinderjurkjes en japonnen, zorgvuldig gerangschikt en tot een geheel geworden onder de handen van iemand die van mij houdt”, herinnerde ze na de oorlog.  
Duizenden Nederlanders deden mee aan de actie: in een speciaal rokkenregister werden 4000 dragers ingeschreven. De Friese exemplaren moeten in mei worden getoond in het museum.
Overig nieuws
Tachtig jaar lang was niet bekend wie het middelste meisje op de foto was. Op straat in Utrecht gekiekt op een zonnige dag in 1942, een vrolijk beeld met de onheilspellende ondertoon dat veel werd gebruikt in publicaties over de Jodenvervolging. Historisch onderzoekers Jim Terlingen en Victor Frederik slaagden erin haar identiteit te achterhalen: Lies Simons. Ze bleek in tegenstelling tot de twee andere meisjes de oorlog te hebben overleefd. Lies zelf bleek net te zijn overleden toen Terlingen haar identiteit achterhaalde, maar haar zus bevestigde zijn vermoedens: “Het was een hele verrassing. Ik zag meteen dat het mijn zus was.”
Toevalligerwijs is het NIOD momenteel ook bezig de identiteit te achterhalen van Joden op honderden foto’s in zijn archief. Voor het project Achter de ster wordt ook de hulp van het publiek ingeroepen.
Al drie keer moest Westerbork de viering van 75 jaar bevrijding uitstellen wegens corona en ook de vierde poging gaat niet door, dit keer vanwege de oorlog in Oekraïne. “Een vrijheidsfeest vieren, terwijl elders in Europa een land en zijn inwoners door een oorlog in ellendige omstandigheden verkeren en overlijden, gaan niet samen”, laat de organisatie weten.
De Israëlische jurist Gabriël Bach is overleden op 94-jarige leeftijd. In 1961 was hij openbaar aanklager tijdens het proces tegen Adolf Eichmann, organisator van de transporten naar de vernietigingskampen. Het proces was voor Bach een persoonlijke zaak: “Toen hij, de gevangene, naar mijn kamer werd geleid, zag ik mezelf weer als kind met mijn familie in Duitsland, daar op dat perron. Het was niet makkelijk om een neutrale gezichtsuitdrukking te houden.”
En oorlogskardinaal Johannes de Jong (1885-1955) krijgt toch postuum een Yad Vashem-onderscheiding voor zijn verzet tegen de bezetter. Er waren vermoedens dat De Jong na de oorlog laks tegen een oorlogsmisdadiger was opgetreden, maar daar bleek geen bewijs voor.
Tot zover weer onze nieuwsbrief. We verwachten de volgende editie volgende maand te kunnen verzenden, in aanloop naar Dodenherdenking en Bevrijdingsdag. Graag tot dan!